A23 Van kannenschijters naar een “entré à sec”.

De man met de blauwe jas

Het was koud die zaterdagochtend. Met mijn muts diep over mijn oren getrokken trotseerde ik de koude Gentse stadswind, terwijl de stadsgids, lichter gekleed dan ik, enthousiast zijn verhaal deed. Het was ongetwijfeld een goede gids met een aangename glimlach achter zijn verzorgde baard en een zachte stem die toch sterk genoeg was om door de hele groep, zo’n 20 mensen, te worden gehoord, hij had aandacht voor zijn publiek, de omgeving, het oogcontact; alleen mijn hersencontact was er niet maar dat lag eerder aan de zaterdagochtendkilte dan aan de gids.  De lichtblauwe gids, tenminste zijn arm in een lichtblauwe jas, wees achter hem en ik hoorde het woord “ tettentjoezer”. Het klinkt aangenaam luchtiger in het Gents dialect dan als je het als geschreven woord dient te lezen. Waar had die man het over? Mijn aangetast korte termijngeheugen was niet onmiddellijk een hulp om het verhaal te reconstrueren; luisteren en wakker worden was het enge alternatief maar toch had ik een groot deel van het verhaal gemist. Ik kon nog de woorden “ diefstal”, “eten” en “kind” opvangen maar hiermee kon ik het                        “ tettentjoezersverhaal” niet helemaal reconstrueren. Voor de nieuwsgierigen onder u zou ik op het einde ik van deze blogtekst een korte samenvatting kunnen weergeven, nu of een volgende keer, we zien wel.

bel_gent_belfort_kannenschijters_01.jpg
Wachter zonder kan

Wakker

Iets meer wakker liep ik achter de groep aan, de lichtblauwe arm wees naar boven na een hele uitleg die ludiek moet zijn geweest aan de reactie van de groep te horen. …..kannenschijters. Verdorie, weer niet mee in het verhaal, niet uit desinteresse maar de koude leek wel in mijn hoofd te zitten. Gelukkig hebben gidsen de gewoonte, tenminste de goede onder hen, bepaalde delen van hun verhaal eens te herhalen, waarschijnlijk om afwezige geesten bij de les te houden. Vanonder mijn wollen muts keek ik omhoog langs het 95 meter hoge Gentse belfort. In Brugge hoef je zo hoog niet kijken, het belfort is daar 12 meter minder hoog. Brugge en Gent waren destijds niet de beste vrienden en de Gentenaren wilden nu eenmaal “de grootste” hebben. Dat de Bruggelingen “de oudste” hebben, daar gaan ze in Gent vlotjes en elegant aan voorbij. Mijn omhooggaande blik bereikte ondertussen het onderwerp van de woorden die op de lachspieren van onze groep hadden gewerkt. Twee beelden, wachters volgens de “man-met-de-baard-in-het-lichtblauw”, ( blijkbaar staan er vier maar ik heb er maar twee gezien in mijn “halfwaakse” toestand) keken in de verte uit naar brand, want dat bleek hun taak. Waarom ze een kan meekregen? Tja, het bleek nogal lastig om, bij opkomende druk en behoefteneigingen, de 366 treden naar beneden te hollen en te doen wat je lichaam je opdroeg. Nu is “lastig” misschien het verkeerde woord, als de nood hoog is en je dient 366 trappen naar beneden te rennen zou het wel eens kunnen dat na verloop van tijd de onderste trappen er glibberig bijliggen.

Als de nood het hoogst is…

Ik kan me voorstellen dat bij “hoogdringerigheid”, je het niet redt de trappen zonder ongelukken naar beneden te hollen, om dan, buiten adem waarschijnlijk, rustig te hurken en te doen wat de natuur je opdraagt. Bedenkt ook:  tegen de tijd dat de trappen waren overwonnen kon de helft van Gent in vlammen zijn opgegaan; herinner je de wachters dienden uit te kijken naar brand in de stad. Derhalve de kan die een misschien minder elegante, dan toch een nuttige en een meer beroepsethische, uitweg bood. Een onverlaat stelde een vraag : wat bij overmatige productie? Ik zag de gids denken : “daar heb je weer zo’n grapjas”, maar professioneel glimlachend gaf hij antwoord : “daar komt waarschijnlijk de uitdrukking het regent stront vandaan….”. De intelligente vragensteller begreep het niet meteen tot de gids een beweging van uitgietende kannen imiteerde. Dát was het moment waarop ik definitief wakker werd; vlijtig noteerde ik samenvattend  in mijn werkschriftje : als belfortwachter in Gent had je destijds goede ogen, trage darmen en een vaste hand nodig. Een vaste hand? Om na je shift 366 treden met een volle kan naar beneden te komen natuurlijk!

belfortwachters.jpg
De wachters, één nog origineel

Een etmaal later

24 uren na de “kannenschijters- en tettentsjoezersbeleving “ stond ik opnieuw in de koude, maar deze keer om heel verschillende reden en een heel ander doel; deze keer was het nog méér uit vrije wil en met een véél groter enthousiasme dan in Gent. Hoewel de plaats waar ik stond iets nostalgisch historisch had, was ze  bij lange na niet zo oud als het Gentse Belfort van begin de 14e eeuw. Ik stond in een poort, wat je in goed Nederlands een “ entré à sec” zou kunnen noemen. Zo konden de dames en heren uit de betere kringen in de tijd vóór de automobiel droog in en uit hun koetsen stappen. Ook toen al was weersbestendigheid omgekeerd evenredig met de dikte van je portemonnee, of misschien kwamen de dames gewoon van de kapper en stamt de uitroep : “‘tregent, min hoar!” uit die tijd.

Dag van de zorg

Het Ventiel nam deel aan de “Dag van de Zorg” en je blogkladder had de aangename functie de bezoekers te verwelkomen, vandaar mijn standplaats in de poorttoegang. Heel wat volk over de vloer gehad en Jan, mijn sympathieke en vlot pratende “medeverwelkomervandienst” en ik hadden dan ook geen tijd om ons te vervelen. Vrienden, kennissen en familieleden van Ventielisten kwamen langs; maar ook mensen die gewoonweg geïnteresseerd waren en wilden weten “ watte dout Het Ventiel nu juste”? Het viel mij op dat bij het binnenkomen dit de meest “serieuze” groep was; met serieus bedoel ik dat de mensen binnenkwamen met in hun achterhoofd de voor de hand liggende gedachte : dat zal er hier wel serieus aan toe gaan, met zo’n aandoening als Jongdementie. En Jongdementie is een vreselijke aandoening, het gaat er dan ook serieus aan toe bij Het Ventiel, maar serieus niet in de zin van plechtig maar in de zin van ingetogen. Maar : bij heel wat activiteiten is de stemming vrolijk, goedlachs, onproblematisch, blij, blijhartig, blijmoedig, joviaal, jolig, opgewekt, monter, lustig uitbundig, uitgelaten, onbevooroordeeld. En inderdaad, toen dezelfde mensen na hun bezoek weer weggingen en langs de verkleumde Ventielwachters Jan en Marc kwamen ( en neen, een kan hadden we niet…) lag een brede glimlach over hun gezicht. Ik schrijf bewust “over” en niet “op” omdat hun glimlach allesomvattend en ontspannen was, bevrijdend ook. Aan die glimlach kon ik aflezen dat bezoekers onbevooroordeeld weggingen, bewust heb ik dit synoniem in de opsomming hierboven als laatst gezet. Onbevooroordeeld. Ventielisten zijn geen apart ras of verschijning, geen kunstwerk dat te bewonderen valt. De bezoekers konden zien dat Ventielisten in de eerste plaats mensen zijn, mensen die zo goed mogelijk hun aandoening een plaats proberen te geven in hun leven, net als hun partners en familieleden. En dat konden ze daar vaststellen, door als het ware zelf hun handen in de spreekwoordelijke wonden leggen;  dat Ventielisten in staat zijn tot sociaal contact, dat ze kunnen lachen gieren brullen, huilen en glimlachen, onzeker zijn en kwaad worden. Dat het mensen zijn. Ze konden de concentratie van de Ventielsteenkappers zien, de onderliggende gevoelens bewonderen in de schilderijen van de Ventielisten, de lachende gezichten op de foto’s tijdens de verschillende activiteiten, de muziek beluisteren gedraaid door Ventiel DJ’s met echte vinyl plaatjes van vroeger, geen herdruk van nu maar “the real stuff” met krassen en al,  de productiviteit van de Raad van Bestuur die zich onvermoeibaar inzet voor de organisatie, hun Ventiel, een organisatie die prijzen wint en in het oog springt door de originele omgang met mensen met Jongdementie, een organisatie die aantoont dat het anders kan. Met een beetje goede wil en inzet. Maar vooral kon de aandachtige bezoeker vaststellen dat er bij Het Ventiel een gezellige familiale sfeer heerst, dat Het Ventiel een warm nest biedt voor mensen met Jongdementie. En ze konden, als ze zéér aandachtig keken, Picco zien; die onvermoeibaar alomtegenwoordig is.

Toen de laatste bezoekers de “ entré à sec” verlieten mochten wachter Jan en ik de poort sluiten. Dicht bij “ de stove”, een gasvuur en zeker niet uit dezelfde tijd van de entréé à sec, warmden we op; uitwendig door “de stove”, inwendig door een glaasje rode wijn; een warm einde van een warme Ventieldag.

Come and see next time

En het verhaal van de Tettentjoezer? Mocht je in Gent zijn kan je hem zoeken, om je op te warmen en misschien te motiveren, alvast een fotootje, ik schrijf er een volgende keer over; het is een verhaal van armoede, overleven, durf, liefde en inzet. Met andere woorden : het leven zoals het is.

Gent_Mammelokker.jpg
“Den tettentjoezer”

Gepubliceerd door

marckesteloot

Geboren in België ( Izegem 1959) en getogen in Duitsland, Neheim-Hüsten ( 1959-1977). Studeerde economie in Gent ( UG 1977-1981), gehuwd met Els en heb twee kinderen. Ik woon in Waregem en mijn interesses gaan uit naar middeleeuwse geschiedenis en basket.

Eén gedachte over “A23 Van kannenschijters naar een “entré à sec”.”

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s